Jacquelientje was een prinsessenboon.
Ze sliep in een groentebed.
Elke dag werd het vers opgemaakt met groentes van het land.
’s Winters lag ze tussen dikke koolbladeren.
En in de zomer op een luchtig bedje van veldsla.
Op een ochtend werd ze wakker met een vreemd gevoel in haar onderbuik.
Voorzichtig maakte ze de knoopjes van haar pyjama los:
Uit een piepklein gaatje, net boven haar navel, groeide een plantje.
Het groeide ... en groeide ... en groeide …
Een maand of wat later hingen er allemaal prinsjes en prinsesjes aan haar stengels.